Vertaling van grown-up

Inhoud:

Engels
Nederlands
adult, full-grown, grown-up, of age {bn.}
meerderjarig 
mondig
adult, grown-up {zn.}
volwassene 
That boy talks as if he were a grown up.
Die jongen spreekt alsof hij een volwassene is.
That boy speaks as if he were an adult.
Die jongen praat alsof hij een volwassene is.
to become, to get, to grow, to arise {ww.}
worden 
raken 

I have grown
you have grown
he/she/it has grown

ik ben geworden
jij bent geworden
hij/zij/het is geworden
» meer vervoegingen van worden

What can I get rid of?
Wat kan ik kwijt raken?
I couldn't get to sleep.
Ik kon niet in slaap raken.
to grow, to raise, to increase {ww.}
laten groeien
doen groeien
to cultivate, to grow, to raise, to force {ww.}
in kassen kweken
to augment, to grow, to increase, to rise {ww.}
groeien 
stijgen
toenemen
aangroeien 

I have grown
you have grown
he/she/it has grown

ik ben gegroeid
jij bent gegroeid
hij/zij/het is gegroeid
» meer vervoegingen van groeien

Oranges grow in warm countries.
Sinaasappels groeien in warme landen.
Plants grow quickly after rain.
Planten groeien snel na regen.
to cultivate, to grow {ww.}
verbouwen
kweken
telen
aankweken
beschaven
bebouwen 

I have grown
you have grown
he/she/it has grown

ik heb verbouwd
jij hebt verbouwd
hij/zij/het heeft verbouwd
» meer vervoegingen van verbouwen

We grow wheat here.
We verbouwen tarwe hier.
I want to grow good vegetables, rice, fruit and so on.
Ik wil goede groenten kweken, rijst, fruit enzovoort.
to grow, to accrue, to wax {ww.}
groeien 
aanwassen
wassen 
toenemen
gedijen

I have grown
you have grown
he/she/it has grown

ik ben gegroeid
jij bent gegroeid
hij/zij/het is gegroeid
» meer vervoegingen van groeien


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

His children have grown up.

Zijn kinderen zijn groot geworden.

My grown-up son is studying abroad now.

Mijn volwassen zoon studeert nu in het buitenland.

That boy talks as if he were a grown up.

Die jongen spreekt alsof hij een volwassene is.


Gerelateerd aan grown-up

adult - full-grown - of age - become - get - grow - arise - raise - increase - cultivate - force - augment - rise - accrue - wax