Vertaling van sing

Inhoud:

Engels
Nederlands
to sing {ww.}
zingen 

I sing
you sing
we sing

ik zing
jij zingt
wij zingen
» meer vervoegingen van zingen

Madonna is able to sing.
Madonna kan zingen.
We often hear you sing.
We horen je vaak zingen.
to sing {ww.}
voorzingen

I sing
you sing
we sing

ik zing voor
jij zingt voor
wij zingen voor
» meer vervoegingen van voorzingen

to sing {ww.}
zingen

I sing
you sing
we sing

ik zing
jij zingt
wij zingen
» meer vervoegingen van zingen

You can sing a song.
Je kunt een lied zingen.
She can sing very well.
Zij kan heel goed zingen.
to play, to sing {ww.}
ten beste geven
ten gehore brengen
laten horen
to sing {ww.}
zingen
fluiten
kwelen

I sing
you sing
we sing

ik zing
jij zingt
wij zingen
» meer vervoegingen van zingen

to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
doorslaan

I sing
you sing
we sing

ik sla door
jij slaat door
wij slaan door
» meer vervoegingen van doorslaan

to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
voorzingen

I sing
you sing
we sing

ik zing voor
jij zingt voor
wij zingen voor
» meer vervoegingen van voorzingen

to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
uitzingen

I sing
you sing
we sing

ik zing uit
jij zingt uit
wij zingen uit
» meer vervoegingen van uitzingen

to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
bezingen

I sing
you sing
we sing

ik bezing
jij bezingt
wij bezingen
» meer vervoegingen van bezingen



Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Tom loves to sing.

Tom zingt graag.

You always sing.

Jij zingt altijd.

You can sing a song.

Je kunt een lied zingen.

Madonna is able to sing.

Madonna kan zingen.

It's your turn to sing.

Het is jouw beurt om te zingen.

Let's sing the English song.

Laten we het Engelse liedje zingen.

She can sing very well.

Zij kan heel goed zingen.

We often hear you sing.

We horen je vaak zingen.

Why can't I sing like they can?

Waarom kan ik niet zingen zoals zij?

What did John sing on the stage?

Wat heeft John op het toneel gezongen?

We'd like you to sing a song.

We zouden het leuk vinden als je een liedje zong.

I will sing while he is resting.

Ik zal zingen terwijl hij aan het rusten is.

I want you to sing a song.

Ik wil dat je een liedje zingt.

We'd like you to sing some songs.

We zouden het leuk vinden als je wat liedjes zong.

I want to sing a song.

Ik wil een liedje zingen.


Gerelateerd aan sing

play - babble - babble out - blab - blab out - let the cat out of the bag - peach - spill the beans - talk - tattlesing - perform - call - concede - praise