Vertaling van talks

Inhoud:

Engels
Nederlands
to converse, to talk, to chat {ww.}
converteren

he/she/it talks

hij/zij/het converteert
» meer vervoegingen van converteren

to speak, to talk {ww.}
spreken
praten 

he/she/it talks

hij/zij/het spreekt
» meer vervoegingen van spreken

dialogue, negotiation, talks {zn.}
ontmoeting [v] (de ~)
bespreking [v] (de ~)
dialogue, negotiation, talks {zn.}
pourparlers
palaver [o] (het ~)
palavers
onderhandeling [v] (de ~)
to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
doorslaan

he/she/it talks

hij/zij/het slaat door
» meer vervoegingen van doorslaan

to speak, to talk {ww.}
spreken
praten
hebben
converseren

he/she/it talks

hij/zij/het spreekt
» meer vervoegingen van spreken

Let's talk.
Laat ons praten.
Maybe we can talk.
Misschien kunnen we praten.
to speak, to talk {ww.}
spreken

he/she/it talks

hij/zij/het spreekt
» meer vervoegingen van spreken

I can't talk.
Ik kan niet spreken.
He can speak Japanese.
Hij kan Japans spreken.
to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
voorzingen

he/she/it talks

hij/zij/het zingt voor
» meer vervoegingen van voorzingen

to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
uitzingen

he/she/it talks

hij/zij/het zingt uit
» meer vervoegingen van uitzingen

to mouth, to speak, to talk, to utter, to verbalise, to verbalize {ww.}
verbaliseren

he/she/it talks

hij/zij/het verbaliseert
» meer vervoegingen van verbaliseren

to babble, to babble out, to blab, to blab out, to let the cat out of the bag, to peach, to sing, to spill the beans, to talk, to tattle {ww.}
bezingen

he/she/it talks

hij/zij/het bezingt
» meer vervoegingen van bezingen


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Money talks.

Geld regeert de wereld.

Meg talks a lot.

Meg praat veel.

He talks too fast.

Hij spreekt te snel.

The peace talks begin this week.

De vredesonderhandelingen beginnen deze week.

Tom never talks about his job.

Tom heeft het nooit over zijn baan.

The boy talks as if he were a man.

De jongen spreekt alsof hij een man is.

That boy talks as if he were a grown up.

Die jongen spreekt alsof hij een volwassene is.