Vertaling van à
hij/zij/het heeft
» meer vervoegingen van hebben
hij/zij/het draagt
» meer vervoegingen van dragen
Voorbeelden in zinsverband
À tout à l'heure !
Tot ziens!
À demain !
Tot morgen!
À plus.
Tot ziens!
À demain.
Tot morgen.
Il commença à pleuvoir à torrent.
Het begon te gieten.
Elle a tourné à gauche à l'angle.
Aan de hoek draaide ze naar links.
Tournez à droite à la prochaine intersection.
Draai naar rechts aan de volgende hoek.
Un ami à moi étudie à l'étranger.
Een vriend van mij studeert in het buitenland.
Hier, j'étais à Tokyo.
Ik was in Tokio gisteren.
C'est difficile à croire.
Het is moeilijk te geloven.
J'arrive à le faire.
Ik kan het.
Il habite à Osaka.
Hij woont in Osaka.
Répondez à la question.
Antwoord op de vraag.
Va à l'école.
Ga naar school.
Je suis à Paris.
Ik ben in Parijs.