Vertaling van pakken

Inhoud:

Nederlands
Duits
pakken, inpakken, verpakken {ww.}
einpacken
packen

wij pakken
jullie pakken
zij pakken

wir packen ein
ihr packt ein
sie packen ein
» meer vervoegingen van einpacken

aanvatten, nemen, oprapen, pakken, vatten {ww.}
nehmen
fassen

wij pakken
jullie pakken
zij pakken

wir nehmen
ihr nehmt
sie nehmen
» meer vervoegingen van nehmen

Jullie moeten bus 5 nemen.
Du solltest die Fünf nehmen.
Zal ik de bus nemen?
Soll ich den Bus nehmen?
kleven, pakken, plakken, elkaar aantrekken {ww.}
aneinander aften
adhärieren

wij pakken
jullie pakken
zij pakken

wir adhärieren
ihr adhäriert
sie adhärieren
» meer vervoegingen van adhärieren

beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten {ww.}
fangen
fassen
erwischen
ertappen
ergreifen
erbeuten

wij pakken
jullie pakken
zij pakken

wir fangen
ihr fangt
sie fangen
» meer vervoegingen van fangen

Katten vangen muizen.
Katzen fangen Mäuse.
De kat joeg op de muis, maar kon ze niet vangen.
Die Katze jagte die Maus, aber konnte sie nicht fangen.
emballeren, pakken, inpakken {ww.}
einpacken
verpacken
packen

wij pakken
jullie pakken
zij pakken

wir packen ein
ihr packt ein
sie packen ein
» meer vervoegingen van einpacken

pak (mv. pakken) [o], pakket [o] {zn.}
Paket [o] (das ~)
Ballen [m] (der ~)
laag, pak (mv. pakken) [o] {zn.}
Schicht [v] (die ~)
Scheibe [v] (die ~)
dracht [v], gewaad, kostuum, pak (mv. pakken) [o] {zn.}
Anzug [m] (der ~)
Kostüm [o] (das ~)
Tracht [v] (die ~)
Gewand [o] (das ~)
Mooi pak.
Ein schickes Kostüm.
Mijn pak is grijs.
Mein Anzug ist grau.