Vertaling van slagen

Inhoud:

Nederlands
Duits
slagen, halen {ww.}
bestehen

wij slagen
jullie slagen
zij slagen

wir bestehen
ihr besteht
sie bestehen
» meer vervoegingen van bestehen

doorkomen, klaarspelen, slagen, slagen voor {ww.}
gelingen
Erfolg haben
bestehen

wij slagen
jullie slagen
zij slagen

wir bestehen
ihr besteht
sie bestehen
» meer vervoegingen van bestehen

Hij wilde slagen.
Er wollte Erfolg haben.
Ik denk dat hij zal slagen.
Ich denke, dass es ihm gelingen wird.
gevecht, kamp, slag (mv. slagen) [m], strijd, treffen, veldslag {zn.}
Kampf [m] (der ~)
Schlacht [v] (die ~)
Ze hebben het gevecht verloren.
Sie haben den Kampf verloren.
slag (mv. slagen) [m], val, valstrik {zn.}
Falle [v] (die ~)
Het is een valstrik!
Das ist eine Falle!
klap, klets, klop, slag (mv. slagen) [m], tik, veeg {zn.}
Schlag [m] (der ~)
Streich [m] (der ~)
Anschlag [m] (der ~)
flap [m], houw, klap, mep, slag (mv. slagen) [m] {zn.}
Schlag [m] (der ~)
Streich [m] (der ~)
Hieb [m] (der ~)
bedrevenheid [v], handigheid [v], vaardigheid [v], vlugheid [v], slag (mv. slagen) [m] {zn.}
Gewandtheit [v] (die ~)
Geschicklichkeit [v] (die ~)
beweging [v], slag (mv. slagen) [m], zet {zn.}
Bewegung [v] (die ~)
greep, inname, slag (mv. slagen) [m], vat [o] {zn.}
Griff [m] (der ~)
Nehmen
Stich [m] (der ~)
draai [m], wending [v], zwenking [v], gier, keer, slag (mv. slagen) [m], zwaai, zwenk {zn.}
Wende
Wendung [v] (die ~)
bezoeking [v], slag (mv. slagen) [m] {zn.}
Schicksalsschlag [m] (der ~)
aard [m], slag (mv. slagen) [o], soort {zn.}
Abart [v] (die ~)
Art [v] (die ~)
Gattung [v] (die ~)
Schlag [m] (der ~)
Sorte [v] (die ~)
houw, klap, schop, slag (mv. slagen) [m], stoot, tik {zn.}
Treffen [o] (das ~)


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Duits

Hij wilde slagen.

Er wollte Erfolg haben.

Ik denk dat hij zal slagen.

Ich denke, dass es ihm gelingen wird.

Soms moet je falen voordat je kunt slagen.

Manchmal muss man scheitern, bevor man Erfolg hat.


Gerelateerd aan slagen

halen - doorkomen - klaarspelen - slagen voor - gevecht - kamp - slag - strijd - treffen - veldslag - val - valstrik - klap - klets - klop