Vertaling van boom

Inhoud:

Nederlands
Engels
boom [m] (de ~) {zn.}
tree
Wie heeft de boom geplant?
Who planted the tree?
Hij klom uit de boom naar beneden.
He climbed down from the tree.
boom [m] (de ~) {zn.}
boom
bomen, ratelen, snateren {ww.}
to have a good long talk
boomdiagram, boom [m] (de ~), boomstructuur {zn.}
tree
tree diagram
Ze hakten de boom om.
They cut down the tree.
Ik reed tegen een boom.
I ran into a tree.
bomen {ww.}
to punt
to pole

ik boom

I punt
» meer vervoegingen van to punt

discussiëren, bomen, discuteren, disputeren, parlementeren, redekavelen, redetwisten, twisten {ww.}
to polemize
to polemicize
to polemise
to polemicise


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Wie heeft de boom geplant?

Who planted the tree?

Een aap beklimt een hoge boom.

A monkey is climbing up a tall tree.

Hij klom uit de boom naar beneden.

He climbed down from the tree.

Hij stak zijn mes in de boom.

He stuck his knife into the tree.

De appel valt niet ver van de boom.

Like father, like son.

Ik bond mijn hond aan de boom in de tuin vast.

I tied my dog to the tree in the yard.

Ik heb mijn hond vastgebonden aan een boom in de tuin.

I tied my dog to a tree in the garden.