Vertaling van plant

Inhoud:

Nederlands
Engels
plant {zn.}
plant 
Plant deze zaden voordat de zomer begint.
Plant these seeds before summer sets in.
De plant heeft een ondergrondse steel.
The plant has an underground stem.
plant [m] (de ~), plantgewas {zn.}
plant
plant life
flora
Ik wil een plant aan mama geven.
I want to give mum a plant.
Ik wil een plant aan mama geven.
I want to give Mom a plant.
groeisel, plant {zn.}
plant 
planten, aanplanten, poten {ww.}
to plant 

ik plant
jij plant
hij/zij/het plant

I plant
you plant
he/she/it plants
» meer vervoegingen van to plant

In maart is de grond nog te koud om iets in de tuin te planten.
In March, the ground is still too cold to plant anything in the garden.
plannen {ww.}
to plan 

jij plant
hij/zij/het plant

you plan
he/she/it plans
» meer vervoegingen van to plan

beramen, ontwerpen, plannen {ww.}
to project 
to contemplate 
to design 
to plan 

jij plant
hij/zij/het plant

you project
he/she/it projects
» meer vervoegingen van to project

telen, planten {ww.}
to cultivate

ik plant
jij plant
hij/zij/het plant

I cultivate
you cultivate
he/she/it cultivates
» meer vervoegingen van to cultivate

planten, inplanten {ww.}
to plant
to implant
to engraft
to imbed
to embed

ik plant
jij plant
hij/zij/het plant

I plant
you plant
he/she/it plants
» meer vervoegingen van to plant

zetten, neerpoten, planten, poten, neerzetten {ww.}
to place down
to put down
to set down

ik plant

plannen, uitstippelen, geprogrammeerd, programmeren {ww.}
to contrive
to design
to plan
to project

jij plant
hij/zij/het plant

you contrive
he/she/it contrives
» meer vervoegingen van to contrive


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Plant deze zaden voordat de zomer begint.

Plant these seeds before summer sets in.

De plant heeft een ondergrondse steel.

The plant has an underground stem.

Ik wil een plant aan mama geven.

I want to give mum a plant.

Ik wil een plant aan mama geven.

I want to give Mom a plant.