Vertaling van toch

Inhoud:

Nederlands
Engels
dus, ergo, ook weer, toch, toch wel, zodoende {bw.}
so 
then 
therefore 
accordingly 
consequently 
echter, maar, niettemin, toch {vw.}
but 
however
nevertheless
yet 
still 
immers, toch, wel, zeker, ook {bw.}
certainly 
indeed 
surely 
absolutely
decidedly 
definitively
immers, toch {bw.}
as
equally
every bit

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Jij kan toch typen?

You can type, can't you?

Jullie zijn Duitsers, toch?

You're Germans, aren't you?

Schiet toch eens op!

Come on, get a move on!

Zij houdt van sinaasappels, toch?

She likes oranges, doesn't she?

Hoe traag zijt ge toch!

How slow you are!

Ik zei het je toch!

I told you so!

Dat is toch mijn CD?

That's my CD, isn't it?

Wat zijn jullie toch een vlegels!

You're such rascals!

Meid, wat heb je toch prachtig haar.

Girl, what beautiful hair you have.

Je gaat toch niet dood, hé?

You're not gonna die, eh?

Jij kan niet zwemmen, of toch?

You can't swim, can you?

Dat is niet echt een verrassing toch?

It's not much of a surprise, is it?

Het is vandaag erg warm, toch?

It's very hot today, isn't it?

Water bevriest bij nul graden Celsius, toch?

Water will freeze at zero Celsius, right?

Tom rijdt in een zwarte auto, toch?

Tom drives a black car, right?


Gerelateerd aan toch

dus - ergo - ook weer - toch wel - zodoende - echter - maar - niettemin - immers - wel - zeker - ook