Vertaling van wit

Inhoud:

Nederlands
Engels
wit {zn.}
white 
Het papier is wit.
The paper is white.
De hond is wit.
The dog is white.
blank, wit {bn.}
blank
white 
wit {zn.}
white goods
household linen
wit {bn.}
white
wit [o] (het ~), zilver [o] (het ~) {zn.}
white
whiteness
Mijn hond is wit.
My dog is white.
Zijn haar is wit geworden.
His hair has turned white.
wit {bn.}
effectual
legal
sound
doel [o], doelstelling [v], doelwit [o], honk, wit {zn.}
aim
goal 
end 
target 
purpose 
objective
intent
butt 
Ze bereikten hun doel.
They attained their aim.
Dit keer is Parijs mijn doel.
This time my goal is Paris.
kalken, pleisteren, witten {ww.}
to whitewash

ik wit
jij wit
hij/zij/het wit

I whitewash
you whitewash
he/she/it whitewashes
» meer vervoegingen van to whitewash

bleken, wit maken, witten {ww.}
to blanch
to whiten

ik wit
jij wit
hij/zij/het wit

I blanch
you blanch
he/she/it blanches
» meer vervoegingen van to blanch

flets, bleek, wit {bn.}
ashen
blanched
bloodless
livid
white
wittebrood [o] (het ~), wit {zn.}
white bread
light bread
meeldauw, wit {zn.}
mildew
witwassen, witten {ww.}
to launder

ik wit
jij wit
hij/zij/het wit

I launder
you launder
he/she/it launders
» meer vervoegingen van to launder

witten {ww.}
to white
to whiten

ik wit
jij wit
hij/zij/het wit

I whiten
you whiten
he/she/it whitens
» meer vervoegingen van to whiten


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Het papier is wit.

The paper is white.

De hond is wit.

The dog is white.

Mijn hond is wit.

My dog is white.

Haar huid is wit, zo wit als sneeuw.

Her skin is white like snow.

Papa schilderde de muren wit.

Dad painted the walls white.

Ze verfde de muren wit.

She painted the walls white.

Zijn haar is wit geworden.

His hair has turned white.

Ze droeg een wit kleed.

She wore a white dress.

De verpleegster is in het wit gekleed.

The nurse is dressed in white.

Haar huid is zo wit als sneeuw.

Her skin is as white as snow.

Een verpleegster kleedt zich in het wit.

A nurse wears white.

Tijdens de volkstelling zal "Trasjanka" gelijkgesteld worden aan Wit-Russisch.

‘Trasianka’ will be equalized with Belarusian language during the census.

Het papier is heel wit, maar de sneeuw is witter.

The paper is very white but the snow is whiter.

Ze heeft een kat. Die kat is wit.

She has a cat. This cat is white.

De Franse vlag is blauw, wit en rood.

The French flag is blue, white, and red.


Gerelateerd aan wit

blank - zilver - doel - doelstelling - doelwit - honk - kalken - pleisteren - witten - bleken - wit maken - flets - bleek - wittebrood - meeldauwkleding - kleur - wettelijk - mik - aanzetting - investeren - kalken