Vertaling van bakeren
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
bakeren, kramen {ww.}
bakeren
kramen {ww.}
kramen {ww.}
ik baker
jij bakert
hij/zij/het bakert
ik baker
jij bakert
hij/zij/het bakert
» meer vervoegingen van bakeren
koesteren, bakeren {ww.}
koesteren
bakeren {ww.}
bakeren {ww.}
ik baker
jij bakert
hij/zij/het bakert
ik koester
jij koestert
hij/zij/het koestert
» meer vervoegingen van koesteren