Vertaling van zorgen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
zorgen, muizenissen {zn.}
zorgen
muizenissen {zn.}
Maak je geen zorgen.
Maak je geen zorgen.
Maak je geen zorgen.
Maak je geen zorgen.
zorgen {ww.}
zorgen {ww.}

ik zorg
jij zorgt
hij/zij/het zorgt

ik zorg
jij zorgt
hij/zij/het zorgt
» meer vervoegingen van zorgen

Later zal ik voor mijn ouders zorgen.
Later zal ik voor mijn ouders zorgen.
Ze maakt zich zorgen om uw veiligheid.
Ze maakt zich zorgen om uw veiligheid.
zorgen {ww.}
zorgen {ww.}

ik zorg
jij zorgt
hij/zij/het zorgt

ik zorg
jij zorgt
hij/zij/het zorgt
» meer vervoegingen van zorgen

Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.
Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.
bezorgd zijn, zich bekommeren, zorg dragen, zorgen {ww.}
bezorgd zijn
zich bekommeren
zorg dragen
zorgen {ww.}

ik zorg
jij zorgt
hij/zij/het zorgt

ik zorg
jij zorgt
hij/zij/het zorgt
» meer vervoegingen van zorgen

beduchtheid [v], ongerustheid [v], zorg (mv. zorgen) {zn.}
beduchtheid [v]
ongerustheid [v]
zorg (mv. zorgen) {zn.}
bekommernis [v], zorgvuldigheid [v], kommer, zorg (mv. zorgen) {zn.}
bekommernis [v]
zorgvuldigheid [v]
kommer
zorg (mv. zorgen) {zn.}
zorg [m] (de ~), sores (narticle ~), preoccupatie [v] (de ~), kommernis, bekommernis {zn.}
zorg [m] (de ~)
sores (narticle ~)
preoccupatie [v] (de ~)
kommernis
bekommernis {zn.}
Zorg goed voor jezelf.
Zorg goed voor jezelf.
Ik bewaar oude boeken met zorg.
Ik bewaar oude boeken met zorg.
zorg [m] (de ~), zorgstoel [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~)
zorgstoel [m] (de ~) {zn.}
Zijn gedrag is mijn belangrijkste zorg.
Zijn gedrag is mijn belangrijkste zorg.
Zorg ervoor dat ik het niet nog eens moet doen.
Zorg ervoor dat ik het niet nog eens moet doen.
zorg [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~) {zn.}
Laat het verleden achter je en zorg je maar voor het heden.
Laat het verleden achter je en zorg je maar voor het heden.
zorg [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~), verontrusting, bezorgdheid [v] (de ~), ongerustheid [v] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~)
verontrusting
bezorgdheid [v] (de ~)
ongerustheid [v] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~) {zn.}
zorg [m] (de ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Maak je geen zorgen.

Maak je geen zorgen.

Maak je geen zorgen.

Maak je geen zorgen.

Later zal ik voor mijn ouders zorgen.

Later zal ik voor mijn ouders zorgen.

Ze maakt zich zorgen om uw veiligheid.

Ze maakt zich zorgen om uw veiligheid.

Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.

Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.

Maak je geen zorgen over ons.

Maak je geen zorgen over ons.

We moeten voor onze ouders zorgen.

We moeten voor onze ouders zorgen.

Maak je geen zorgen, ik ga alleen.

Maak je geen zorgen, ik ga alleen.

Maak u maar geen zorgen over mij.

Maak u maar geen zorgen over mij.

Je moet zelf voor je hond zorgen.

Je moet zelf voor je hond zorgen.

Ik zal voor de bloemen zorgen.

Ik zal voor de bloemen zorgen.

Ik maak me zorgen over je success.

Ik maak me zorgen over je success.

Ik maak me daar geen zorgen over.

Ik maak me daar geen zorgen over.

Maak je geen zorgen over het verleden.

Maak je geen zorgen over het verleden.

Jullie moeten voor jullie zieke moeder zorgen.

Jullie moeten voor jullie zieke moeder zorgen.