Vertaling van gegeven

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
gegeven [o] {zn.}
gegeven [o] {zn.}
Mijn oom heeft mij een boek gegeven.
Mijn oom heeft mij een boek gegeven.
Ze heeft dertig jaar lang muziekles gegeven.
Ze heeft dertig jaar lang muziekles gegeven.
gegeven [o] {zn.}
gegeven [o] {zn.}
Vraag en u zal gegeven worden.
Vraag en u zal gegeven worden.
Mijn oom heeft mij een fototoestel gegeven
Mijn oom heeft mij een fototoestel gegeven
gegeven [o] (het ~) {zn.}
gegeven [o] (het ~) {zn.}
De dokter heeft mij een inspuiting gegeven.
De dokter heeft mij een inspuiting gegeven.
gegeven [o] (het ~) {zn.}
gegeven [o] (het ~) {zn.}
gegeven {bn.}
gegeven {bn.}
gegeven [o] (het ~) {zn.}
gegeven [o] (het ~) {zn.}
gegeven [o] (het ~), punt [o] (het ~), onderwerp [o] (het ~), thema [o] (het ~), item [o] (het ~), issue [m] (de/het ~) {zn.}
gegeven [o] (het ~)
punt [o] (het ~)
onderwerp [o] (het ~)
thema [o] (het ~)
item [o] (het ~)
issue [m] (de/het ~) {zn.}
Ons thema van de week is: _____.
Ons thema van de week is: _____.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
geven, aangeven, opbrengen, toebrengen, toekennen, verlenen {ww.}
geven
aangeven
opbrengen
toebrengen
toekennen
verlenen {ww.}

ik heb aangegeven
ik had aangegeven
ik zal aangegeven hebben

ik heb gegeven
ik had gegeven
ik zal gegeven hebben
» meer vervoegingen van geven

onderhavig, gegeven, voorliggend {bn.}
onderhavig
gegeven
voorliggend {bn.}
geven, inzetten {ww.}
geven
inzetten {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven

geven, hechten, houden {ww.}
geven
hechten
houden {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven

geven {ww.}
geven {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven

geven {ww.}
geven {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven

Koeien geven melk.
Koeien geven melk.
Zij geven niets.
Zij geven niets.
geven {ww.}
geven {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven

onderwijzen, doceren, lesgeven, onderrichten, geven {ww.}
onderwijzen
doceren
lesgeven
onderrichten
geven {ww.}

ik heb gedoceerd
ik had gedoceerd
ik zal gedoceerd hebben

ik heb onderwezen
ik had onderwezen
ik zal onderwezen hebben
» meer vervoegingen van onderwijzen

geven, schenken {ww.}
geven
schenken {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven

doen, geven, bezorgen, verschaffen {ww.}
doen
geven
bezorgen
verschaffen {ww.}

ik heb bezorgd
jij hebt bezorgd
hij/zij/het heeft bezorgd

ik heb gedaan
jij hebt gedaan
hij/zij/het heeft gedaan
» meer vervoegingen van doen

Wat moet ik doen?
Wat moet ik doen?
Laat ons meer doen.
Laat ons meer doen.
geven, opleveren {ww.}
geven
opleveren {ww.}

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven

ik heb gegeven
jij hebt gegeven
hij/zij/het heeft gegeven
» meer vervoegingen van geven



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Mijn oom heeft mij een boek gegeven.

Mijn oom heeft mij een boek gegeven.

Ze heeft dertig jaar lang muziekles gegeven.

Ze heeft dertig jaar lang muziekles gegeven.

Vraag en u zal gegeven worden.

Vraag en u zal gegeven worden.

Mijn oom heeft mij een fototoestel gegeven

Mijn oom heeft mij een fototoestel gegeven

De dokter heeft mij een inspuiting gegeven.

De dokter heeft mij een inspuiting gegeven.

Aan wie hebt u het gegeven?

Aan wie hebt u het gegeven?

Ik heb de boeken aan deze student gegeven.

Ik heb de boeken aan deze student gegeven.

Drie schepen werden door koningin Isabella aan Columbus gegeven.

Drie schepen werden door koningin Isabella aan Columbus gegeven.

Het was hem niet gegeven haar ooit nog te ontmoeten.

Het was hem niet gegeven haar ooit nog te ontmoeten.

We hebben de boeken aan deze student gegeven.

We hebben de boeken aan deze student gegeven.

Ik heb één enkel boek gekocht, dat ik aan een student gegeven heb.

Ik heb één enkel boek gekocht, dat ik aan een student gegeven heb.

Hij is de persoon aan wie ik mijn woordenboek heb gegeven.

Hij is de persoon aan wie ik mijn woordenboek heb gegeven.

Ik ben het uurwerk verloren dat mijn vader mij gegeven had.

Ik ben het uurwerk verloren dat mijn vader mij gegeven had.

Wat hebt ge gezegd dat ge haar op haar verjaardag gegeven hadt?

Wat hebt ge gezegd dat ge haar op haar verjaardag gegeven hadt?

Mijn moeder heeft me alle liefde die ik nodig had gegeven.

Mijn moeder heeft me alle liefde die ik nodig had gegeven.