Vertaling van bezonken
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
bezonken, bezonnen {bn.}
bezonken
bezonnen {bn.}
bezonnen {bn.}
belegen, bezonken, rijp {bn.}
belegen
bezonken
rijp {bn.}
bezonken
rijp {bn.}
bezinken {ww.}
bezinken {ww.}
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
» meer vervoegingen van bezinken
zich vasthechten, bezinken {ww.}
zich vasthechten
bezinken {ww.}
bezinken {ww.}
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
» meer vervoegingen van bezinken
bezinken {ww.}
bezinken {ww.}
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
» meer vervoegingen van bezinken
doordacht, afgewogen, beredeneerd, rationeel, weldoordacht, weloverwogen, zinnig, tactisch, strategisch, bezonken {bn.}
doordacht
afgewogen
beredeneerd
rationeel
weldoordacht
weloverwogen
zinnig
tactisch
strategisch
bezonken {bn.}
afgewogen
beredeneerd
rationeel
weldoordacht
weloverwogen
zinnig
tactisch
strategisch
bezonken {bn.}
bezinken {ww.}
bezinken {ww.}
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
» meer vervoegingen van bezinken
bezinken {ww.}
bezinken {ww.}
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
hij/zij/het bezonk
zij bezonken
» meer vervoegingen van bezinken