Vertaling van boord
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
boord , kraag , halsboord {zn.}
boord
kraag
halsboord {zn.}
kraag
halsboord {zn.}
Hij greep me bij mijn kraag.
Hij greep me bij mijn kraag.
Hij is aan boord van het schip.
Hij is aan boord van het schip.
Boord {eigenn.}
Boord {eigenn.}
kant , boord , kust , oever , waterkant , wal {zn.}
kant
boord
kust
oever
waterkant
wal {zn.}
boord
kust
oever
waterkant
wal {zn.}
We wandelen langs de oever van het meer.
We wandelen langs de oever van het meer.
Ik sta aan jouw kant.
Ik sta aan jouw kant.
kant , band , boord , rand, zoom {zn.}
kant
band
boord
rand
zoom {zn.}
band
boord
rand
zoom {zn.}
De band is lek.
De band is lek.
Hij legde het boek aan de kant.
Hij legde het boek aan de kant.
boord , omboordsel {zn.}
boord
omboordsel {zn.}
omboordsel {zn.}
Is er een arts aan boord?
Is er een arts aan boord?
Wanneer moet ik aan boord gaan?
Wanneer moet ik aan boord gaan?
boord , halsboord {zn.}
boord
halsboord {zn.}
halsboord {zn.}
boord {zn.}
boord {zn.}
boord , scheepsboord {zn.}
boord
scheepsboord {zn.}
scheepsboord {zn.}
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Hij is aan boord van het schip.
Hij is aan boord van het schip.
Is er een arts aan boord?
Is er een arts aan boord?
Wanneer moet ik aan boord gaan?
Wanneer moet ik aan boord gaan?