Vertaling van zoom

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
zoom, stootkant {zn.}
zoom
stootkant {zn.}
kant [m], band [m], boord [m], rand, zoom {zn.}
kant [m]
band [m]
boord [m]
rand
zoom {zn.}
Ik sta aan jouw kant.
Ik sta aan jouw kant.
De band is lek.
De band is lek.
rand, zoom {zn.}
rand
zoom {zn.}
We stonden aan de rand van een klif.
We stonden aan de rand van een klif.
zoom [m] (de ~) {zn.}
zoom [m] (de ~) {zn.}
zoom [m] (de ~) {zn.}
zoom [m] (de ~) {zn.}
zomen, omnaaien {ww.}
zomen
omnaaien {ww.}

ik naai om
jij naait om
hij/zij/het naait om

ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt
» meer vervoegingen van zomen

zoomen {ww.}
zoomen {ww.}

ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt

ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt
» meer vervoegingen van zoomen

zomen {ww.}
zomen {ww.}

ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt

ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt
» meer vervoegingen van zomen

inzoomen, zoomen {ww.}
inzoomen
zoomen {ww.}

ik zoom in
jij zoomt in
hij/zij/het zoomt in

ik zoom in
jij zoomt in
hij/zij/het zoomt in
» meer vervoegingen van inzoomen



Gerelateerd aan zoom

stootkant - kant - band - boord - rand - zomen - omnaaien - zoomen - inzoomenkant - omslag - bewerken - filmen