Vertaling van zomen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
zomen, omnaaien {ww.}
zomen
omnaaien {ww.}
omnaaien {ww.}
ik naai om
jij naait om
hij/zij/het naait om
ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt
» meer vervoegingen van zomen
zomen {ww.}
zomen {ww.}
ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt
ik zoom
jij zoomt
hij/zij/het zoomt
» meer vervoegingen van zomen
kant , band , boord , rand, zoom (mv. zomen) {zn.}
kant
band
boord
rand
zoom (mv. zomen) {zn.}
band
boord
rand
zoom (mv. zomen) {zn.}
Ik sta aan jouw kant.
Ik sta aan jouw kant.
De band is lek.
De band is lek.
rand, zoom (mv. zomen) {zn.}
rand
zoom (mv. zomen) {zn.}
zoom (mv. zomen) {zn.}
We stonden aan de rand van een klif.
We stonden aan de rand van een klif.
zoom (mv. zomen), stootkant {zn.}
zoom (mv. zomen)
stootkant {zn.}
stootkant {zn.}
zoom {zn.}
zoom {zn.}
zoom {zn.}
zoom {zn.}