Vertaling van degelijk
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
degelijk, deugdelijk {bn.}
degelijk
deugdelijk {bn.}
deugdelijk {bn.}
degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net {bn.}
degelijk
eerlijk
eerzaam
fatsoenlijk
net {bn.}
eerlijk
eerzaam
fatsoenlijk
net {bn.}
degelijk, deugdelijk, flink, gedegen, hecht, solide, vast {bn.}
degelijk
deugdelijk
flink
gedegen
hecht
solide
vast {bn.}
deugdelijk
flink
gedegen
hecht
solide
vast {bn.}
degelijk, sterk, stevig, solide {bn.}
degelijk
sterk
stevig
solide {bn.}
sterk
stevig
solide {bn.}
betrouwbaar, degelijk, getrouw, vertrouwenwekkend, solide {bn.}
betrouwbaar
degelijk
getrouw
vertrouwenwekkend
solide {bn.}
degelijk
getrouw
vertrouwenwekkend
solide {bn.}