Vertaling van dief
steler {zn.}
pikker
langvinger
jatter
jatmoos
gapper
dievegge {zn.}
wegmaken
laten verdwijnen {ww.}
ik dief
jij dieft
hij/zij/het dieft
ik dief
jij dieft
hij/zij/het dieft
» meer vervoegingen van dieven
pikken
dieven
kapen
weggappen
snuffelen
snaaien
rausjen
ratsen
ontvreemden
klauwen
kaaien
jatten
jatmouzen
gappen {ww.}
ik dief
jij dieft
hij/zij/het dieft
ik steel
jij steelt
hij/zij/het steelt
» meer vervoegingen van stelen
Voorbeelden in zinsverband
Hij is een dief.
Hij is een dief.
De gelegenheid maakt de dief.
De gelegenheid maakt de dief.
De gelegenheid maakt de dief.
De gelegenheid maakt de dief.
Uitstelgedrag is de dief van de tijd.
Uitstelgedrag is de dief van de tijd.
Houd de dief!
Houd de dief!
De dief liep weg toen hij een politieman zag.
De dief liep weg toen hij een politieman zag.
Ze bonden de dief vast aan een boom.
Ze bonden de dief vast aan een boom.
De dief rende weg in de richting van het station.
De dief rende weg in de richting van het station.
De gelegenheid maakt een dief
De gelegenheid maakt een dief
Een dief heeft ingebroken en is aan de haal gegaan met al mijn juwelen.
Een dief heeft ingebroken en is aan de haal gegaan met al mijn juwelen.