Vertaling van jengel
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
jengel {zn.}
jengel {zn.}
drenzen, jengelen, dreinen {ww.}
drenzen
jengelen
dreinen {ww.}
jengelen
dreinen {ww.}
ik drein
jij dreint
hij/zij/het dreint
ik drens
jij drenst
hij/zij/het drenst
» meer vervoegingen van drenzen
zaag , zeikstraal , zeiker, doordrammer, zeveraar , zeurkous , zemelap, zemel, oudwijf, jengel, dreiner, drein, drammer, ultra , doordraver, zeiksnor, zeikvent, teem, zemelaar , zageman, zeur , zanik, zever , zaniker, zanikpot, zeurpiet {zn.}
zaag
zeikstraal
zeiker
doordrammer
zeveraar
zeurkous
zemelap
zemel
oudwijf
jengel
dreiner
drein
drammer
ultra
doordraver
zeiksnor
zeikvent
teem
zemelaar
zageman
zeur
zanik
zever
zaniker
zanikpot
zeurpiet {zn.}
zeikstraal
zeiker
doordrammer
zeveraar
zeurkous
zemelap
zemel
oudwijf
jengel
dreiner
drein
drammer
ultra
doordraver
zeiksnor
zeikvent
teem
zemelaar
zageman
zeur
zanik
zever
zaniker
zanikpot
zeurpiet {zn.}
"Ik zie", zei de blinde man, toen hij zijn hamer en zaag opraapte.
"Ik zie", zei de blinde man, toen hij zijn hamer en zaag opraapte.
simpen, simmen, drenzen, jengelen, dreinen {ww.}
simpen
simmen
drenzen
jengelen
dreinen {ww.}
simmen
drenzen
jengelen
dreinen {ww.}
ik drein
jij dreint
hij/zij/het dreint
ik simp
jij simpt
hij/zij/het simpt
» meer vervoegingen van simpen
jengelen {ww.}
jengelen {ww.}
ik jengel
jij jengelt
hij/zij/het jengelt
ik jengel
jij jengelt
hij/zij/het jengelt
» meer vervoegingen van jengelen