Vertaling van zaag
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
zaag {zn.}
zaag {zn.}
"Ik zie", zei de blinde man, toen hij zijn hamer en zaag opraapte.
"Ik zie", zei de blinde man, toen hij zijn hamer en zaag opraapte.
zaag , zeikstraal , zeiker, doordrammer, zeveraar , zeurkous , zemelap, zemel, oudwijf, jengel, dreiner, drein, drammer, ultra , doordraver, zeiksnor, zeikvent, teem, zemelaar , zageman, zeur , zanik, zever , zaniker, zanikpot, zeurpiet {zn.}
zaag
zeikstraal
zeiker
doordrammer
zeveraar
zeurkous
zemelap
zemel
oudwijf
jengel
dreiner
drein
drammer
ultra
doordraver
zeiksnor
zeikvent
teem
zemelaar
zageman
zeur
zanik
zever
zaniker
zanikpot
zeurpiet {zn.}
zeikstraal
zeiker
doordrammer
zeveraar
zeurkous
zemelap
zemel
oudwijf
jengel
dreiner
drein
drammer
ultra
doordraver
zeiksnor
zeikvent
teem
zemelaar
zageman
zeur
zanik
zever
zaniker
zanikpot
zeurpiet {zn.}
zagen {ww.}
zagen {ww.}
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen
De zeelui zagen land.
De zeelui zagen land.
We zagen hem nergens.
We zagen hem nergens.
zagen, zieken, piepen, mieren, malen, zeveren, emmeren, zeiken, reutelen, mekkeren, mekken, griepen, zemelknopen, zemelen, zaniken, neuzelen, lazeren, mauwen, zeuren, meieren {ww.}
zagen
zieken
piepen
mieren
malen
zeveren
emmeren
zeiken
reutelen
mekkeren
mekken
griepen
zemelknopen
zemelen
zaniken
neuzelen
lazeren
mauwen
zeuren
meieren {ww.}
zieken
piepen
mieren
malen
zeveren
emmeren
zeiken
reutelen
mekkeren
mekken
griepen
zemelknopen
zemelen
zaniken
neuzelen
lazeren
mauwen
zeuren
meieren {ww.}
ik emmer
jij emmert
hij/zij/het emmert
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen
Verplegers verzorgen zieken.
Verplegers verzorgen zieken.
Zoals de ouden zongen, piepen de jongen.
Zoals de ouden zongen, piepen de jongen.
zagen, snurken, ronken, snorken {ww.}
zagen
snurken
ronken
snorken {ww.}
snurken
ronken
snorken {ww.}
ik ronk
jij ronkt
hij/zij/het ronkt
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Tom hoorde Mary in de les snurken.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
Als het op snurken aankomt kan niemand meneer Snurk verslaan.
zagen {ww.}
zagen {ww.}
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen
We zagen de vogel toen we Okinawa bezochten.
We zagen de vogel toen we Okinawa bezochten.
De man die we vanochtend zagen was meneer Green.
De man die we vanochtend zagen was meneer Green.