Vertaling van kruisigen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
kruisen, kruisigen {ww.}
kruisen
kruisigen {ww.}
kruisigen {ww.}
ik kruis
jij kruist
hij/zij/het kruist
ik kruis
jij kruist
hij/zij/het kruist
» meer vervoegingen van kruisen
Het schip zal vannacht de evenaar kruisen.
Het schip zal vannacht de evenaar kruisen.
kruisigen {ww.}
kruisigen {ww.}
ik kruisig
jij kruisigt
hij/zij/het kruisigt
ik kruisig
jij kruisigt
hij/zij/het kruisigt
» meer vervoegingen van kruisigen