Vertaling van maar

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
echter, maar, niettemin, toch {vw.}
echter
maar
niettemin
toch {vw.}
maar [o] (het ~), bezwaar [o] (het ~), bedenking [v] (de ~) {zn.}
maar [o] (het ~)
bezwaar [o] (het ~)
bedenking [v] (de ~) {zn.}
Ik heb geen bezwaar op je mening.
Ik heb geen bezwaar op je mening.
Reken maar uit.
Reken maar uit.
alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend {bw.}
alleen
enkel
maar
pas
slechts
uitsluitend {bw.}
doch, maar, echter {vw.}
doch
maar
echter {vw.}
eens, gerust, maar
eens
gerust
maar


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Reken maar uit.

Reken maar uit.

Maar ik wil niet.

Maar ik wil niet.

Maar mensen zijn verschillend.

Maar mensen zijn verschillend.

Geen woorden, maar daden.

Geen woorden, maar daden.

Geloof me maar gewoon.

Geloof me maar gewoon.

Ik heb maar een mond, maar wel twee oren.

Ik heb maar een mond, maar wel twee oren.

Gaat u maar zitten waar u maar wilt.

Gaat u maar zitten waar u maar wilt.

U kunt maar beter weggaan.

U kunt maar beter weggaan.

We zijn maar eenmaal jong.

We zijn maar eenmaal jong.

Nee, maar ik speel tennis.

Nee, maar ik speel tennis.

Het is maar een grapje.

Het is maar een grapje.

Maar die mogelijkheid lijkt onwaarschijnlijk.

Maar die mogelijkheid lijkt onwaarschijnlijk.

Maar ik heb geen geld.

Maar ik heb geen geld.

Ik zeg het alleen maar!

Ik zeg het alleen maar!

Ik heb maar een wens.

Ik heb maar een wens.


Gerelateerd aan maar

echter - niettemin - toch - bezwaar - bedenking - alleen - enkel - pas - slechts - uitsluitend - doch - eens - gerustwaarom - uiting