Vertaling van maar
maar
niettemin
toch {vw.}
bezwaar
bedenking {zn.}
enkel
maar
pas
slechts
uitsluitend {bw.}
maar
echter {vw.}
gerust
maar
Voorbeelden in zinsverband
Reken maar uit.
Reken maar uit.
Maar ik wil niet.
Maar ik wil niet.
Maar mensen zijn verschillend.
Maar mensen zijn verschillend.
Geen woorden, maar daden.
Geen woorden, maar daden.
Geloof me maar gewoon.
Geloof me maar gewoon.
Ik heb maar een mond, maar wel twee oren.
Ik heb maar een mond, maar wel twee oren.
Gaat u maar zitten waar u maar wilt.
Gaat u maar zitten waar u maar wilt.
U kunt maar beter weggaan.
U kunt maar beter weggaan.
We zijn maar eenmaal jong.
We zijn maar eenmaal jong.
Nee, maar ik speel tennis.
Nee, maar ik speel tennis.
Het is maar een grapje.
Het is maar een grapje.
Maar die mogelijkheid lijkt onwaarschijnlijk.
Maar die mogelijkheid lijkt onwaarschijnlijk.
Maar ik heb geen geld.
Maar ik heb geen geld.
Ik zeg het alleen maar!
Ik zeg het alleen maar!
Ik heb maar een wens.
Ik heb maar een wens.