Vertaling van rammel

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
rammel [m] (de ~) {zn.}
rammel [m] (de ~) {zn.}
Wil je een pak rammel?
Wil je een pak rammel?
rammel [m] (de ~), rammelaar [m] (de ~) {zn.}
rammel [m] (de ~)
rammelaar [m] (de ~) {zn.}
rammelen {ww.}
rammelen {ww.}

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt
» meer vervoegingen van rammelen

rammelen {ww.}
rammelen {ww.}

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt
» meer vervoegingen van rammelen

schudden, rammelen {ww.}
schudden
rammelen {ww.}

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt

ik schud
jij schudt
hij/zij/het schudt
» meer vervoegingen van schudden

Laten we handen schudden.
Laten we handen schudden.
Met gebalde vuist kan je iemands hand niet schudden.
Met gebalde vuist kan je iemands hand niet schudden.
rammelen {ww.}
rammelen {ww.}

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt
» meer vervoegingen van rammelen

rammelen {ww.}
rammelen {ww.}

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt
» meer vervoegingen van rammelen

rammelen {ww.}
rammelen {ww.}

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt

ik rammel
jij rammelt
hij/zij/het rammelt
» meer vervoegingen van rammelen



Gerelateerd aan rammel

rammelaar - rammelen - schuddenverroeren - paren - uitklinken - zitten