Vertaling van samenkomen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
samenkomen, samenlopen, convergeren {ww.}
samenkomen
samenlopen
convergeren {ww.}
samenlopen
convergeren {ww.}
hij/zij/het zal convergeren
zij zult convergeren
hij/zij/het zal convergeren
hij/zij/het zal samenkomen
zij zullen samenkomen
hij/zij/het zou samenkomen
» meer vervoegingen van samenkomen
Laten we overmorgen samenkomen.
Laten we overmorgen samenkomen.
samenkomen, zich groeperen, samenscholen, samenrotten {ww.}
samenkomen
zich groeperen
samenscholen
samenrotten {ww.}
zich groeperen
samenscholen
samenrotten {ww.}
ik zal samenkomen
ik zou samenkomen
jij zult samenkomen
ik zal samenkomen
ik zou samenkomen
jij zult samenkomen
» meer vervoegingen van samenkomen
samenkomen, vergaderen, bijeenkomen {ww.}
samenkomen
vergaderen
bijeenkomen {ww.}
vergaderen
bijeenkomen {ww.}
ik zal bijeenkomen
jij zult bijeenkomen
hij/zij/het zal bijeenkomen
ik zal samenkomen
jij zult samenkomen
hij/zij/het zal samenkomen
» meer vervoegingen van samenkomen
Laten we hier een keer per week vergaderen.
Laten we hier een keer per week vergaderen.
verzamelen, verenigen, samenkomen, bijeenkomen {ww.}
verzamelen
verenigen
samenkomen
bijeenkomen {ww.}
verenigen
samenkomen
bijeenkomen {ww.}
ik zal bijeenkomen
jij zult bijeenkomen
hij/zij/het zal bijeenkomen
ik zal verzamelen
jij zult verzamelen
hij/zij/het zal verzamelen
» meer vervoegingen van verzamelen
Hij heeft geprobeerd de verschillende groepen te verenigen.
Hij heeft geprobeerd de verschillende groepen te verenigen.
Je moet meer informatie verzamelen.
Je moet meer informatie verzamelen.