Vertaling van smokkelen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
smokkelen, verlakken, beetnemen {ww.}
smokkelen
verlakken
beetnemen {ww.}

ik neem beet
jij neemt beet
hij/zij/het neemt beet

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt
» meer vervoegingen van smokkelen

smokkelen {ww.}
smokkelen {ww.}

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt
» meer vervoegingen van smokkelen

smokkelen {ww.}
smokkelen {ww.}

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt
» meer vervoegingen van smokkelen

smokkelen {ww.}
smokkelen {ww.}

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt

ik smokkel
jij smokkelt
hij/zij/het smokkelt
» meer vervoegingen van smokkelen

spieken, smokkelen, afkijken {ww.}
spieken
smokkelen
afkijken {ww.}

ik kijk af
jij kijkt af
hij/zij/het kijkt af

ik spiek
jij spiekt
hij/zij/het spiekt
» meer vervoegingen van spieken

Jim was tijdens het examen betrapt op spieken.
Jim was tijdens het examen betrapt op spieken.
Hij is betrapt op spieken tijdens het examen en werd op het matje geroepen.
Hij is betrapt op spieken tijdens het examen en werd op het matje geroepen.


Gerelateerd aan smokkelen

verlakken - beetnemen - spieken - afkijkenbedriegen - handelen - frauderen - overschrijven