Vertaling van starten
ik start
jij start
hij/zij/het start
ik start
jij start
hij/zij/het start
» meer vervoegingen van starten
starten {ww.}
ik start
jij start
hij/zij/het start
ik vertrek
jij vertrekt
hij/zij/het vertrekt
» meer vervoegingen van vertrekken
aanslaan {ww.}
ik sla aan
jij slaat aan
hij/zij/het slaat aan
ik start
jij start
hij/zij/het start
» meer vervoegingen van starten
starten
aanvangen {ww.}
ik vang aan
jij vangt aan
hij/zij/het vangt aan
ik begin
jij begint
hij/zij/het begint
» meer vervoegingen van beginnen
starten
opvatten
opstarten {ww.}
ik open
jij opent
hij/zij/het opent
ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen
Voorbeelden in zinsverband
De motor wou niet starten.
De motor wou niet starten.
Hoe kan ik de motor starten?
Hoe kan ik de motor starten?
Je zou jouw eigen bedrijf kunnen starten.
Je zou jouw eigen bedrijf kunnen starten.