Vertaling van starten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
starten {ww.}
starten {ww.}

ik start
jij start
hij/zij/het start

ik start
jij start
hij/zij/het start
» meer vervoegingen van starten

De motor wou niet starten.
De motor wou niet starten.
Hoe kan ik de motor starten?
Hoe kan ik de motor starten?
vertrekken, starten {ww.}
vertrekken
starten {ww.}

ik start
jij start
hij/zij/het start

ik vertrek
jij vertrekt
hij/zij/het vertrekt
» meer vervoegingen van vertrekken

We gaan morgen vertrekken.
We gaan morgen vertrekken.
We vertrekken zonder hem.
We vertrekken zonder hem.
starten, aanslaan {ww.}
starten
aanslaan {ww.}

ik sla aan
jij slaat aan
hij/zij/het slaat aan

ik start
jij start
hij/zij/het start
» meer vervoegingen van starten

Je zou jouw eigen bedrijf kunnen starten.
Je zou jouw eigen bedrijf kunnen starten.
beginnen, starten, aanvangen {ww.}
beginnen
starten
aanvangen {ww.}

ik vang aan
jij vangt aan
hij/zij/het vangt aan

ik begin
jij begint
hij/zij/het begint
» meer vervoegingen van beginnen

Waar beginnen wij?
Waar beginnen wij?
Ge moet onmiddellijk beginnen.
Ge moet onmiddellijk beginnen.
openen, starten, opvatten, opstarten {ww.}
openen
starten
opvatten
opstarten {ww.}

ik open
jij opent
hij/zij/het opent

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Ik weet niet hoe ik zijn woorden moet opvatten.
Ik weet niet hoe ik zijn woorden moet opvatten.
Kunt u het venster openen?
Kunt u het venster openen?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

De motor wou niet starten.

De motor wou niet starten.

Hoe kan ik de motor starten?

Hoe kan ik de motor starten?

Je zou jouw eigen bedrijf kunnen starten.

Je zou jouw eigen bedrijf kunnen starten.


Gerelateerd aan starten

vertrekken - aanslaan - beginnen - aanvangen - openen - opvatten - opstartenaandoen - aangaan - passeren - inzetten