Vertaling van tegenvaller

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
pech, tegenslag, wanbof, tegenvaller, ongelukje [o] {zn.}
pech
tegenslag
wanbof
tegenvaller
ongelukje [o] {zn.}
Wat heb ik een pech!
Wat heb ik een pech!
Hij schrijft zijn mislukkingen vaak toe aan pech.
Hij schrijft zijn mislukkingen vaak toe aan pech.
bezwaar [o], tegenvaller, zwarigheid [v], objectie [v] {zn.}
bezwaar [o]
tegenvaller
zwarigheid [v]
objectie [v] {zn.}
Ik heb geen bezwaar op je mening.
Ik heb geen bezwaar op je mening.
Indien nodig heb ik geen bezwaar tegen het betalen van een bepaald bedrag.
Indien nodig heb ik geen bezwaar tegen het betalen van een bepaald bedrag.
teleurstelling [v], tegenvaller, ontgoocheling [v] {zn.}
teleurstelling [v]
tegenvaller
ontgoocheling [v] {zn.}
kwaad [o] (het ~), min [m] (de ~), schaduwzijde [m] (de ~), schaduwkant [m] (de ~), opdonder [m] (de ~), tegenvaller [m] (de ~), minpunt [o] (het ~), keerzijde [m] (de ~), keerzij, nadeel [o] (het ~) {zn.}
kwaad [o] (het ~)
min [m] (de ~)
schaduwzijde [m] (de ~)
schaduwkant [m] (de ~)
opdonder [m] (de ~)
tegenvaller [m] (de ~)
minpunt [o] (het ~)
keerzijde [m] (de ~)
keerzij
nadeel [o] (het ~) {zn.}
Zij werd kwaad.
Zij werd kwaad.
Ben je kwaad?
Ben je kwaad?


Gerelateerd aan tegenvaller

pech - tegenslag - wanbof - ongelukje - bezwaar - zwarigheid - objectie - teleurstelling - ontgoocheling - kwaad - min - schaduwzijde - schaduwkant - opdonder - minpuntomstandigheid