Vertaling van uitgeput
op {bn.}
uitgeput
uitverkocht {bn.}
uitputten {ww.}
ik heb uitgeput
ik had uitgeput
ik zal uitgeput hebben
ik heb uitgeput
ik had uitgeput
ik zal uitgeput hebben
» meer vervoegingen van uitputten
ik heb uitgeput
ik had uitgeput
ik zal uitgeput hebben
ik heb uitgeput
ik had uitgeput
ik zal uitgeput hebben
» meer vervoegingen van uitputten
afgedraaid
afgemat
afgepeigerd
bekaf
doodmoe
doodop
doodvermoeid
geradbraakt
hondsmoe
knock-out
leeg
opgebrand
pompaf
total loss
uitgeblust
uitgekakt
uitgepoept
uitgescheten
uitgeteld
kapot
uitgeput
gebroken
op {bn.}
uitmergelen
uitputten {ww.}
ik heb onttrokken
ik had onttrokken
ik zal onttrokken hebben
ik heb onttrokken
ik had onttrokken
ik zal onttrokken hebben
» meer vervoegingen van onttrekken
uitputten
slopen {ww.}
ik heb genekt
ik had genekt
ik zal genekt hebben
ik heb genekt
ik had genekt
ik zal genekt hebben
» meer vervoegingen van nekken
ik heb uitgeput
ik had uitgeput
ik zal uitgeput hebben
ik heb uitgeput
ik had uitgeput
ik zal uitgeput hebben
» meer vervoegingen van uitputten
Voorbeelden in zinsverband
Ik ben uitgeput.
Ik ben uitgeput.
Hij was uitgeput toen hij thuis kwam.
Hij was uitgeput toen hij thuis kwam.