Vertaling van uitspreiden
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
ontvouwen, uitspreiden, spreiden {ww.}
ontvouwen
uitspreiden
spreiden {ww.}
uitspreiden
spreiden {ww.}
ik zal ontvouwen
ik zou ontvouwen
jij zult ontvouwen
ik zal ontvouwen
ik zou ontvouwen
jij zult ontvouwen
» meer vervoegingen van ontvouwen
opzetten, uitvouwen, uitspreiden, ontvouwen {ww.}
opzetten
uitvouwen
uitspreiden
ontvouwen {ww.}
uitvouwen
uitspreiden
ontvouwen {ww.}
ik zal ontvouwen
ik zou ontvouwen
jij zult ontvouwen
ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten
» meer vervoegingen van opzetten
Men moet een helm opzetten om het hoofd te beschermen.
Men moet een helm opzetten om het hoofd te beschermen.
Misschien moet jij dan een mondkapje opzetten.
Misschien moet jij dan een mondkapje opzetten.
uitleggen, spreiden, uitspreiden {ww.}
uitleggen
spreiden
uitspreiden {ww.}
spreiden
uitspreiden {ww.}
ik zal spreiden
ik zou spreiden
jij zult spreiden
ik zal uitleggen
ik zou uitleggen
jij zult uitleggen
» meer vervoegingen van uitleggen
Tom moet dingen uitleggen.
Tom moet dingen uitleggen.
Ik zal het aan hem uitleggen.
Ik zal het aan hem uitleggen.
spreiden, uitspreiden {ww.}
spreiden
uitspreiden {ww.}
uitspreiden {ww.}
ik zal spreiden
ik zou spreiden
jij zult spreiden
ik zal spreiden
ik zou spreiden
jij zult spreiden
» meer vervoegingen van spreiden