Vertaling van opzetten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
opzetten, uitvouwen, uitspreiden, ontvouwen {ww.}
opzetten
uitvouwen
uitspreiden
ontvouwen {ww.}

ik zal ontvouwen
ik zou ontvouwen
jij zult ontvouwen

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten
» meer vervoegingen van opzetten

Men moet een helm opzetten om het hoofd te beschermen.
Men moet een helm opzetten om het hoofd te beschermen.
Misschien moet jij dan een mondkapje opzetten.
Misschien moet jij dan een mondkapje opzetten.
opzetten, rechtop zetten {ww.}
opzetten
rechtop zetten {ww.}

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten
» meer vervoegingen van opzetten

Zou je eens niet een andere plaat willen opzetten? We luisteren al gedurende twee uren naar deze hier.
Zou je eens niet een andere plaat willen opzetten? We luisteren al gedurende twee uren naar deze hier.
opzetten, opvullen, vullen {ww.}
opzetten
opvullen
vullen {ww.}

ik zal opvullen
ik zou opvullen
jij zult opvullen

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten
» meer vervoegingen van opzetten

opzetten, opzwellen, zwellen, uitdijen, rijzen {ww.}
opzetten
opzwellen
zwellen
uitdijen
rijzen {ww.}

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten
» meer vervoegingen van opzetten

opzetten {ww.}
opzetten {ww.}

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten

ik zal opzetten
ik zou opzetten
jij zult opzetten
» meer vervoegingen van opzetten

plan [o], plattegrond, opzet (mv. opzetten), ontwerp {zn.}
plan [o]
plattegrond
opzet (mv. opzetten)
ontwerp {zn.}
Ik heb een plattegrond nodig.
Ik heb een plattegrond nodig.
Ik zou graag een plattegrond willen hebben.
Ik zou graag een plattegrond willen hebben.
opzet (mv. opzetten) [o] (het ~), moedwil [m] (de ~) {zn.}
opzet (mv. opzetten) [o] (het ~)
moedwil [m] (de ~) {zn.}
Ik heb dat niet met opzet gedaan.
Ik heb dat niet met opzet gedaan.
Bedoel je dat je met opzet je schoonheid verbergt?
Bedoel je dat je met opzet je schoonheid verbergt?
zin [m] (de ~), bedoeling [v] (de ~), opzet (mv. opzetten) [m] (de/het ~), inzicht, intentie [v] (de ~), intensie {zn.}
zin [m] (de ~)
bedoeling [v] (de ~)
opzet (mv. opzetten) [m] (de/het ~)
inzicht
intentie [v] (de ~)
intensie {zn.}
Dat was niet mijn bedoeling.
Dat was niet mijn bedoeling.
Hij maakte zijn bedoeling duidelijk.
Hij maakte zijn bedoeling duidelijk.
opzet (mv. opzetten) [m] (de ~), opzetje, raamwerk [o] (het ~), kader [o] (het ~) {zn.}
opzet (mv. opzetten) [m] (de ~)
opzetje
raamwerk [o] (het ~)
kader [o] (het ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Men moet een helm opzetten om het hoofd te beschermen.

Men moet een helm opzetten om het hoofd te beschermen.

Misschien moet jij dan een mondkapje opzetten.

Misschien moet jij dan een mondkapje opzetten.

Zou je eens niet een andere plaat willen opzetten? We luisteren al gedurende twee uren naar deze hier.

Zou je eens niet een andere plaat willen opzetten? We luisteren al gedurende twee uren naar deze hier.


Gerelateerd aan opzetten

uitvouwen - uitspreiden - ontvouwen - rechtop zetten - opvullen - vullen - opzwellen - zwellen - uitdijen - rijzen - plan - plattegrond - opzet - ontwerp - moedwilbedoeling - idee - inrichting