Vertaling van verschil

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
verschil, onderscheid [v] {zn.}
verschil
onderscheid [v] {zn.}
Ik zie geen verschil.
Ik zie geen verschil.
Het maakt al het verschil.
Het maakt al het verschil.
verschil, afwijking [v] {zn.}
verschil
afwijking [v] {zn.}
Wat is het verschil tussen deze twee?
Wat is het verschil tussen deze twee?
Veel kinderen horen het verschil niet zo goed.
Veel kinderen horen het verschil niet zo goed.
verschil [o] (het ~) {zn.}
verschil [o] (het ~) {zn.}
Tom weet het verschil niet tussen God en de Duivel.
Tom weet het verschil niet tussen God en de Duivel.
verschil [o] (het ~), divergentie {zn.}
verschil [o] (het ~)
divergentie {zn.}
verschillen {ww.}
verschillen {ww.}

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt
» meer vervoegingen van verschillen

Smaken verschillen.
Smaken verschillen.
Uniformen verschillen van school tot school.
Uniformen verschillen van school tot school.
schelen, verschillen, uiteenlopen {ww.}
schelen
verschillen
uiteenlopen {ww.}

hij/zij/het scheelt
zij schelen
hij/zij/het loopt uiteen

hij/zij/het scheelt
zij schelen
hij/zij/het scheelt
» meer vervoegingen van schelen

Kan het ons wat schelen?
Kan het ons wat schelen?
Wie kan dat wat schelen?
Wie kan dat wat schelen?
verschillen {ww.}
verschillen {ww.}

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt
» meer vervoegingen van verschillen

Je ideeën verschillen van de mijne.
Je ideeën verschillen van de mijne.
Er zijn enkele verschillen tussen Brits en Amerikaans Engels.
Er zijn enkele verschillen tussen Brits en Amerikaans Engels.
verschillen {ww.}
verschillen {ww.}

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt
» meer vervoegingen van verschillen

verschillen, ontlopen, uiteenlopen {ww.}
verschillen
ontlopen
uiteenlopen {ww.}

ik ontloop
jij ontloopt
hij/zij/het ontloopt

ik verschil
jij verschilt
hij/zij/het verschilt
» meer vervoegingen van verschillen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik zie geen verschil.

Ik zie geen verschil.

Het maakt al het verschil.

Het maakt al het verschil.

Wat is het verschil tussen deze twee?

Wat is het verschil tussen deze twee?

Veel kinderen horen het verschil niet zo goed.

Veel kinderen horen het verschil niet zo goed.

Tom weet het verschil niet tussen God en de Duivel.

Tom weet het verschil niet tussen God en de Duivel.

Wat is het verschil tussen een dorp en een stad?

Wat is het verschil tussen een dorp en een stad?

Wat is het verschil tussen leeuwen en luipaarden?

Wat is het verschil tussen leeuwen en luipaarden?

Ken jij het verschil tussen een microscoop en een telescoop?

Ken jij het verschil tussen een microscoop en een telescoop?

Ik kan het verschil tussen die twee niet uitleggen.

Ik kan het verschil tussen die twee niet uitleggen.

Er is een duidelijk verschil tussen deze twee.

Er is een duidelijk verschil tussen deze twee.

Tom weet het verschil tussen astronomie en astrologie niet.

Tom weet het verschil tussen astronomie en astrologie niet.

Iedereen kan een verschil maken in zijn eigen leven en daarmee gezamenlijk de wereld een betere plaats maken voor zichzelf en anderen om zich heen.

Iedereen kan een verschil maken in zijn eigen leven en daarmee gezamenlijk de wereld een betere plaats maken voor zichzelf en anderen om zich heen.


Gerelateerd aan verschil

onderscheid - afwijking - divergentie - verschillen - schelen - uiteenlopen - ontlopenuitkomst - betrekking - zijn