Vertaling van vouw
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
vouw, plooi {zn.}
vouw
plooi {zn.}
plooi {zn.}
vouw {zn.}
vouw {zn.}
vouwen, omvouwen, plooien {ww.}
vouwen
omvouwen
plooien {ww.}
omvouwen
plooien {ww.}
ik vouw om
jij vouwt om
hij/zij/het vouwt om
ik vouw
jij vouwt
hij/zij/het vouwt
» meer vervoegingen van vouwen
Niet vouwen.
Niet vouwen.
vouwen {ww.}
vouwen {ww.}
ik vouw
jij vouwt
hij/zij/het vouwt
ik vouw
jij vouwt
hij/zij/het vouwt
» meer vervoegingen van vouwen
vouwen {ww.}
vouwen {ww.}
ik vouw
jij vouwt
hij/zij/het vouwt
ik vouw
jij vouwt
hij/zij/het vouwt
» meer vervoegingen van vouwen