Vertaling van vrolijk
monter
vrolijk {bn.}
verblijd
verheugd
opgetogen
opgewekt
vrolijk {bn.}
onderhouden
opvrolijken
amuseren {ww.}
ik amuseer
jij amuseert
hij/zij/het amuseert
ik vermaak
jij vermaakt
hij/zij/het vermaakt
» meer vervoegingen van vermaken
opvrolijken
opkikkeren {ww.}
ik kikker op
jij kikkert op
hij/zij/het kikkert op
ik monter op
jij montert op
hij/zij/het montert op
» meer vervoegingen van opmonteren
heugelijk
vreugdevol
vrolijk
blij
heuglijk {bn.}
vrolijk
blij
zonnig {bn.}
oppeppen
opkikkeren
opmonteren {ww.}
ik kikker op
jij kikkert op
hij/zij/het kikkert op
ik vrolijk op
jij vrolijkt op
hij/zij/het vrolijkt op
» meer vervoegingen van opvrolijken
verlevendigen
opvrolijken
opfleuren {ww.}
ik fleur op
jij fleurt op
hij/zij/het fleurt op
ik vrolijk op
jij vrolijkt op
hij/zij/het vrolijkt op
» meer vervoegingen van opvrolijken
Voorbeelden in zinsverband
Vrolijk kerstfeest!
Vrolijk kerstfeest!
Wees vrolijk.
Wees vrolijk.
Vrolijk kerstfeest!
Vrolijk kerstfeest!
Vrolijk Pasen!
Vrolijk Pasen!
Wees vrolijk! Plaats een uitroepingsteken op het einde van al je zinnen!
Wees vrolijk! Plaats een uitroepingsteken op het einde van al je zinnen!
Aan het begin van elk weekeinde ben ik tegelijk moe en vrolijk.
Aan het begin van elk weekeinde ben ik tegelijk moe en vrolijk.