Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it advances
  • they advance

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het baat
  • zij baten

Simple past

  • he/she/it advanced
  • they advanced

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het baatte
  • zij baatten

Present perfect

  • he/she/it has advanced
  • they have advanced

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft gebaat
  • zij hebben gebaat

Past perfect

  • he/she/it had advanced
  • they had advanced

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had gebaat
  • zij hadden gebaat

Future

  • he/she/it will advance
  • they will advance

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal baten
  • zij zult baten

Future perfect

  • he/she/it will have advanced
  • they will have advanced

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal gebaat hebben
  • zij zult gebaat hebben

Conditional present

  • he/she/it would advance
  • they would advance

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal baten
  • zij zullen baten

Conditional perfect

  • he/she/it would have advanced
  • they would have advanced

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben gebaat
  • zij zullen hebben gebaat

Verwijzingen

Bekijk 15 definitie(s) van advance