Vertaling van ran
I ran
you ran
he/she/it ran
ik rende
jij rende
hij/zij/het rende
» meer vervoegingen van rennen
I ran
you ran
he/she/it ran
ik rende
jij rende
hij/zij/het rende
» meer vervoegingen van rennen
I ran
you ran
he/she/it ran
ik slingerde
jij slingerde
hij/zij/het slingerde
» meer vervoegingen van slingeren
aanrijden
I ran
you ran
he/she/it ran
ik reed voor
jij reed voor
hij/zij/het reed voor
» meer vervoegingen van voorrijden
I ran
you ran
he/she/it ran
ik werkte
jij werkte
hij/zij/het werkte
» meer vervoegingen van werken
I ran
you ran
he/she/it ran
ik liep
jij liep
hij/zij/het liep
» meer vervoegingen van lopen
I ran
you ran
he/she/it ran
ik liep
jij liep
hij/zij/het liep
» meer vervoegingen van lopen
Voorbeelden in zinsverband
The boy ran away.
De jongen liep weg.
We ran in the park.
We liepen in het park.
He ran into the classroom.
Hij rende het klaslokaal in.
I ran into a tree.
Ik reed tegen een boom.
She ran up to him.
Ze rende naar hem toe.
Tears ran down my cheeks.
Tranen liepen over mijn wangen.
The bear ran after me.
De beer rende achter me aan.
John ran into the room.
John liep de kamer in.
We ran after the cat.
We liepen achter de kat aan.
He ran away with the money.
Hij vluchtte met het geld.
The dog ran after the cat.
De hond zat achter de kat aan.
I ran away from the training camp.
Ik liep weg uit het oefenkamp.
She started screaming, and I ran away.
Ze begon te schreeuwen, en ik liep weg.
The thief ran away when he saw a policeman.
De dief liep weg toen hij een politieman zag.
We ran out of gas on our way there.
We raakten op weg daar naartoe door onze benzine heen.