Betekenis van:
assist

to assist
Werkwoord
  • (iem.) dienen, helpen
  • work for or be a servant to
"Is a salesperson assisting you?"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to assist
Werkwoord
  • toezicht houden (op)
  • work for or be a servant to
"Is a salesperson assisting you?"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to assist
Werkwoord
  • (iem.) bij de uitvoering van iets bijstaan
  • act as an assistant in a subordinate or supportive function

Hyperoniemen

Hyponiemen

to assist
Werkwoord
  • van dienst zijn; van dienst zijn
  • give help or assistance; be of service

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to assist
Werkwoord
  • verschaffen
  • give help or assistance; be of service

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

assist
Zelfstandig naamwoord
  • het samenwerken aan iets; hulp; hulp; het helpen; zorg voor mensen in nood
  • the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
"he gave me an assist with the housework"
"could not walk without assistance"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

assist
Zelfstandig naamwoord
  • hulpje, adjunct, assistent, helper
  • the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
"he gave me an assist with the housework"
"could not walk without assistance"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

assist
Zelfstandig naamwoord
  • handreiking
  • the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
"he gave me an assist with the housework"
"could not walk without assistance"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

assist
Zelfstandig naamwoord
    • (sports) the act of enabling another player to make a good play

    Hyperoniemen