Betekenis van:
aid

aid
Zelfstandig naamwoord
  • het samenwerken aan iets; hulp; hulp; het helpen; zorg voor mensen in nood
  • the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
"rescue party went to their aid"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

aid
Zelfstandig naamwoord
  • de geïnstitutionaliseerde zorg voor mensen in maatschappelijke en geestelijke nood
  • the work of providing treatment for or attending to someone or something

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

aid
Zelfstandig naamwoord
  • de moeite en de pogingen die men doet om iets in stand of in goede conditie te houden, of zo goed mogelijk te doen zijn of te maken
  • the work of providing treatment for or attending to someone or something

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

aid
Zelfstandig naamwoord
    • a resource
    "visual aids in teaching"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    aid
    Zelfstandig naamwoord
    • handreiking
    • the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
    "rescue party went to their aid"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    aid
    Zelfstandig naamwoord
    • hulpje, adjunct, assistent, helper
    • the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
    "rescue party went to their aid"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    aid
    Zelfstandig naamwoord
      • money to support a worthy person or cause

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to aid
      Werkwoord
      • van dienst zijn; van dienst zijn
      • give help or assistance; be of service

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to aid
      Werkwoord
      • verschaffen
      • give help or assistance; be of service

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to aid
      Werkwoord
        • improve the condition of

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen