Betekenis van:
fracture

fracture
Zelfstandig naamwoord
  • het gebroken zijn; het gebroken zijn
  • breaking of hard tissue such as bone
"it was a nasty fracture"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

fracture
Zelfstandig naamwoord
  • breuk in een bot
  • breaking of hard tissue such as bone
"it was a nasty fracture"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

fracture
Zelfstandig naamwoord
  • lijn langs breuk
  • (geology) a crack in the earth's crust resulting from the displacement of one side with respect to the other

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

fracture
Zelfstandig naamwoord
  • stemwisseling, stembreuk
  • the act of cracking something

Synoniemen

Hyperoniemen

to fracture
Werkwoord
    • become fractured
    "The tibia fractured from the blow of the iron pipe"

    Hyperoniemen

    to fracture
    Werkwoord
      • break into pieces
      "The pothole fractured a bolt on the axle"

      Hyperoniemen

      to fracture
      Werkwoord
        • violate or abuse
        "This writer really fractures the language"

        Hyperoniemen

        to fracture
        Werkwoord
          • interrupt, break, or destroy
          "fracture the balance of power"

          Hyperoniemen

          to fracture
          Werkwoord
            • break (a bone)

            Hyponiemen

            to fracture
            Werkwoord
              • fracture a bone of

              Synoniemen

              Hyperoniemen