Betekenis van:
prick

prick
Zelfstandig naamwoord
  • lichte, scherpe steek; felle tik of prik met een scherp voorwerp
  • the act of puncturing with a small point
"he gave the balloon a small prick"

Synoniemen

Hyperoniemen

prick
Zelfstandig naamwoord
  • injectie
  • the act of puncturing with a small point
"he gave the balloon a small prick"

Synoniemen

Hyperoniemen

prick
Zelfstandig naamwoord
  • vies iemand; iemand die (vaak) knoeit; vies iemand; vies iemand; vies iemand; iemand die vies is of knoeit; leiding voor afvalwater
  • insulting terms of address for people who are stupid or irritating or ridiculous

Synoniemen

Hyperoniemen

prick
Zelfstandig naamwoord
  • langgerekte streep als beschadiging
  • a depression scratched or carved into a surface

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

prick
Zelfstandig naamwoord
  • vervelend persoon
  • insulting terms of address for people who are stupid or irritating or ridiculous

Synoniemen

Hyperoniemen

prick
Zelfstandig naamwoord
  • hoerenjong
  • insulting terms of address for people who are stupid or irritating or ridiculous

Synoniemen

Hyperoniemen

prick
Zelfstandig naamwoord
    • obscene terms for penis

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    prick
    Zelfstandig naamwoord
    • moet
    • a depression scratched or carved into a surface

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    prick
    Zelfstandig naamwoord
    • hazespoor
    • insulting terms of address for people who are stupid or irritating or ridiculous

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to prick
    Werkwoord
    • van insecten, planten etc
    • deliver a sting to

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to prick
    Werkwoord
      • cause a stinging pain
      "The needle pricked his skin"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to prick
      Werkwoord
        • to cause a sharp emotional pain
        "The thought of her unhappiness pricked his conscience"

        Hyperoniemen

        to prick
        Werkwoord
          • make a small hole into, as with a needle or a thorn
          "The nurse pricked my finger to get a small blood sample"

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          Hyponiemen

          to prick
          Werkwoord
            • raise
            "The dog pricked up his ears"

            Synoniemen

            Hyperoniemen

            to prick
            Werkwoord
            • prikkelen, prikken
            • cause a prickling sensation

            Synoniemen

            Hyperoniemen

            to prick
            Werkwoord
              • stab or urge on as if with a pointed stick

              Synoniemen

              Hyperoniemen

              to prick
              Werkwoord
              • doorbijten
              • deliver a sting to

              Synoniemen

              Hyperoniemen