Betekenis van:
sham

to sham
Werkwoord
  • gehouden worden vooor; doorgaan voor; aangezien worden voor
  • make believe with the intent to deceive
"He shammed a headache"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to sham
Werkwoord
  • doen alsof; voorwenden; doen alsof; voorwenden; doen alsof
  • make a pretence of

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to sham
Werkwoord
  • huichelen, femelen, kwezelen, zich aanstellen
  • make believe with the intent to deceive
"He shammed a headache"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

sham
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die fraude pleegt
  • a person who makes deceitful pretenses

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

sham
Zelfstandig naamwoord
  • opvolger v.d. keizer of koning; persoon die recht heeft op de troon
  • a person who makes deceitful pretenses

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

sham
Zelfstandig naamwoord
  • gedeeltelijke pruik; haarstukje
  • something that is a counterfeit; not what it seems to be

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

sham
Zelfstandig naamwoord
  • nabootsing
  • something that is a counterfeit; not what it seems to be

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

sham
Bijvoeglijk naamwoord
    • adopted in order to deceive
    "sham modesty"

    Synoniemen