Betekenis van:
strong

strong
Bijvoeglijk naamwoord
  • in staat veel kracht te ontwikkelen
  • having strength or power greater than average or expected
"a strong radio signal"
"strong medicine"
strong
Bijvoeglijk naamwoord
  • met fysieke kracht
  • having strength or power greater than average or expected
"a strong radio signal"
"strong medicine"
strong
Bijvoeglijk naamwoord
  • sterk; van een pantser voorzien
  • freshly made or left

Synoniemen

Hyperoniemen

strong
Bijvoeglijk naamwoord
  • van dranken e.d.
  • having or wielding force or authority

Synoniemen

strong
Bijvoeglijk naamwoord
    • not faint or feeble
    "a strong odor of burning rubber"
    strong
    Bijvoeglijk naamwoord
      • of verbs not having standard (or regular) inflection
      "`sing' is a strong verb"
      strong
      Bijvoeglijk naamwoord
        • strong and sure
        "gave a strong pull on the rope"

        Synoniemen

        strong
        Bijvoeglijk naamwoord
          • immune to attack; incapable of being tampered with

          Synoniemen

          strong
          Bijvoeglijk naamwoord
            • being distilled rather than fermented; having a high alcoholic content

            Synoniemen

            strong
            Bijvoeglijk naamwoord
              • having a strong physiological or chemical effect

              Synoniemen

              strong
              Bijvoeglijk naamwoord
                • of good quality and condition; solidly built

                Synoniemen