Betekenis van:
afdragen

afdragen
Werkwoord
  • overdragen
"Hij moest veel geld aan de belasting afdragen."
afdragen
Werkwoord
  • door dragen afslijten
"Die kleren waren helemaal afgedragen."
afdragen
Werkwoord
  • (iets dat men zelf eerst ontvangen heeft) overdragen

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Mechanische weerstand van het spoor, lijnen van categorie I (remsystemen die de spoorstaven verwarmen door het afdragen van kinetische energie)
  2. Een derdenbelang in kredietinstellingen wordt in de regel genomen door institutionele beleggers, die de bedrijfsbelasting op de ontvangen vergoeding zelf moeten afdragen.
  3. Belastingplichtigen die zich in een insolventieprocedure of een reorganisatieprocedure onder gerechtelijk toezicht bevinden, kunnen vanwege financiële moeilijkheden vaak niet de BTW afdragen die in rekening wordt gebracht over de goederen en diensten die zij leveren.
  4. Het voordeel voor deze ondernemingen blijft beperkt tot de regio West Midlands en tot een verbeterde toegang tot financiële diensten door de bundeling van diensten die anders tegen marktvoorwaarden zouden worden verleend, en tot het mobiliseren van middelen van plaatselijk actieve investeerders, waarbij zij hoe dan ook 6 % van de aangetrokken fondsen moeten afdragen.
  5. De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 heeft besloten dat Oostenrijk, Duitsland, Nederland en Zweden in de periode 2007-2013 een geringer percentage van de btw-bron mogen afdragen en dat de jaarlijkse bni-bijdragen van Nederland en Zweden in dezelfde periode met een bepaald brutobedrag worden verminderd.