Betekenis van:
bad
bad (het ~ | meervoud baden)
Zelfstandig naamwoord
- voor voorwerpen
"iets onderdompelen in een bad van vloeibaar zink"
Hyperoniemen
bad (het ~ | meervoud baden)
Zelfstandig naamwoord
- gelegenheid om te zwemmen; grote bak water om in te zwemmen; zwembad; waterbekken
"in het grote bad wordt een wedstrijd gehouden"
Synoniemen
Hyperoniemen
bad
Zelfstandig naamwoord
- voorwerp waarin men zich wast met water
bad
Zelfstandig naamwoord
- hoeveelheid water of andere vloeistof waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
bad
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Zij nam toevalligerwijze een bad.
- Neem een bad en ga dan naar bed.
- Afdekkingen voor bad
- de stad Bad Dürkheim
- Ultrasone sonde of ultrasoon bad (tafelmodel).
- Schweinaer Grund - Zechsteingürtel um Bad Liebenstein
- Landkreis Neustadt a. d. Aisch — Bad Windsheim
- in de Landkreis Osnabrück: de gemeenten Glandorf, Bad Laer, Bad Rothenfelde, Dissen, Bad Iburg, Hilter, Melle, Bissendorf, Georgsmarienhütte, Hagen en Hasbergen
- Bad- en keukenlinnen, van textielvlies van synthetische of kunstmatige vezels
- Du-Pont-Strasse 1, D-61352 Bad Homburg, Duitsland
- Bad- en keukenlinnen, van badstof en dergelijke weefsels van katoen
- Om het condensaat uit het bad B af te tappen.
- Bad- of frotteerstof (lussendoek), van katoen; huishoudlinnen, ander dan van brei- of haakwerk, van bad- of frotteerstof (lussendoek) van katoen
- Lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen; huishoudlinnen (ander dan dat van brei- of haakwerk) van lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen
- in de Landkeis Ammerland: de gemeenten Apen, Edewecht, Westerstede en Bad Zwischenahn