Betekenis van:
blikken

blikken
Werkwoord
  • kijken; de ogen gebruiken
"blikken uit [een venster]"
"zonder blikken of blozen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

blikken
Werkwoord
  • in een bepaalde richting kijken
"Hij blikte even naar haar, maar moest snel zijn aandacht weer op het verkeer richten."
blikken
Bijvoeglijk naamwoord
  • van blik
"een blikken trommel"
"een blikken bruiloft"
blikken
Bijvoeglijk naamwoord
  • van blik vervaardigd
"Er zat een blikken plaatje opgeschroefd."
blikken
Bijvoeglijk naamwoord
  • alsof van blik vervaardigd of afkomstig daarvan
"De toeter produceerde een schel blikken geluid."
blik (de ~ | meervoud blikken)
Zelfstandig naamwoord
  • uitdrukking op het gezicht; oogopslag; gelaatsuitdrukking
"een helderziende blik"
"een gulzige blik"

Synoniemen

Hyperoniemen

blik (de ~ | meervoud blikken)
Zelfstandig naamwoord
  • inzicht; verhandeling; visie; manier van kijken; opvatting
"zijn/haar blik verruimen"
"een blik in de toekomst"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord