Betekenis van:
branden
branden
Werkwoord
- warmte/licht uitstralen
"de kachel brandt"
"de lamp/verlichting brandt"
Hyperoniemen
branden
Werkwoord
- verteerd worden door vuur
branden
Werkwoord
- aan vuur blootstellen of als brandstof gebruiken
branden
Zelfstandig naamwoord
- door vuur bezeren
"je vingers aan de kachel branden"
"zich aan de oven branden"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
brand (de ~ | meervoud branden)
Zelfstandig naamwoord
- vertering door vuur
"een uitslaande brand"
"in brand [steken/vliegen]"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Gisterenavond waren er vijf branden.
- De pastoor zei dat Tom in de hel zal branden.
- Druk op de groene knop. Als je dat doet, gaat het lampje branden.
- Branden of malen van verfaarden
- Spontane branden buiten de lidstaat
- Het dimlicht mag tegelijk met het groot licht blijven branden.
- Het dimlicht mag tegelijk met het grootlicht blijven branden.
- Het dimlicht mag tegelijk met het grootlicht blijven branden.
- .3 Er moeten teams worden georganiseerd die verantwoordelijk zijn voor het blussen van branden.
- In september 2005 is een bedrijf begonnen met het branden van koffie.
- Onder ontbranden en blijven branden wordt een stabiele vlam verstaan die ten minste 5 seconden aanhoudt.
- Bovendien branden de in punt 5.11 bedoelde lichten niet wanneer de dagrijlichten ingeschakeld zijn.
- Deze branden zouden zich ook met een kleinere lading hebben kunnen voordoen.
- Het dimlicht mag niet tegelijk met het grootlicht en/of een ander samengebouwde koplamp branden.
- het (de) mistachterlicht(en) niet kan (kunnen) worden ontstoken tenzij het grootlicht, het dimlicht of de mistvoorlichten branden;