Betekenis van:
gebruik

gebruik (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het gebruiken van iets
"verslijten door veelvuldig gebruik"
"buiten gebruik (zijn)"

Hyperoniemen

Hyponiemen

gebruik
Zelfstandig naamwoord
  • een standaard manier van doen
"Het schudden van de rechterhand is, in Nederland, het gebruik om een onbekende te begroeten."
gebruik
Zelfstandig naamwoord
  • toepassen van iets
"Het gebruik van een woordenboek is aan te raden voor het controleren van de spelling."
gebruik (het ~ | meervoud gebruiken)
Zelfstandig naamwoord
  • gebruikelijke wijze van doen
"de gebruiken naleven"
"het is een goed/oud gebruik dat..."

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Gebruik alsjeblieft geen Engels.
  2. Het oude uurwerk is nog in gebruik.
  3. Dat is het woordenboek dat ik alle dagen gebruik.
  4. Gebruik niet de lift in geval van brand.
  5. Hij maakte gebruik van het mooie weer om de muur te schilderen.
  6. De mens is het enige dier dat gebruik maakt van vuur.
  7. Het doeltreffendste middel voor de verspreiding van het Esperanto is het vlotte en elegante gebruik van die taal.
  8. Als ik Esperanto gebruik met hem, voel ik dat we beiden op hetzelfde peil staan, tenminste als we dat zien uit het oogpunt van taal.
  9. Technisch gebruik
  10. Intern gebruik
  11. Rechtstreeks gebruik
  12. INDUSTRIEEL GEBRUIK
  13. (beoogd gebruik)
  14. Cutaan gebruik.
  15. Voorgenomen gebruik: