Betekenis van:
hakken

hakken
Werkwoord
  • hakken; hakkend vervaardigen; van steen of ijzer afhakken; kappen met bijl of mes
"iets doormidden hakken"
"gaten in het ijs hakken"

Synoniemen

Hyperoniemen

hakken
Werkwoord
  • bekritiseren; vitten
"hakken op iemand"

Synoniemen

Hyperoniemen

hakken
Werkwoord
  • met de hak bewerken

Hyperoniemen

hakken
Werkwoord
  • onbesuisd slaan of snijden

Hyperoniemen

hakken
Werkwoord
  • (de bal) met de achterkant van de schoen spelen

Hyperoniemen

hak (de ~ | meervoud hakken)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.e. schoen onder de hiel
"van de hak op de tak springen"
"iemand een hak zetten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

hak (de ~ | meervoud hakken)
Zelfstandig naamwoord
  • achterkant v.d. voet; hiel
"hij trapte z'n tegenstander expres op de hakken"
"iemand op de hakken zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord