Betekenis van:
klappen

klappen
Werkwoord
  • petsen
"het zeil klapt"
"in de handen klappen"

Synoniemen

Hyperoniemen

klappen
Werkwoord
  • uiteenspringen, barsten
"de fietsband/ballon klapt"
"in elkaar klappen"

Hyperoniemen

klappen
Werkwoord
  • als vertoon van bijval, dank of bewondering de open handen ineenslaan
"Het publiek klapte beleefd, maar meer ook niet."
klappen
Werkwoord
  • plotseling een luid geluid voortbrengen
"De omvallende fiets klapte tegen de vloer."
klappen
Werkwoord
  • verklappen

Synoniemen

Hyperoniemen

klap (de ~ | meervoud klappen)
Zelfstandig naamwoord
  • toegebrachte slag
"een klap krijgen"
"een klap van de molen hebben gekregen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

klap (de ~ | meervoud klappen)
Zelfstandig naamwoord
  • kort geluid van twee dingen tegen elkaar; klap; geluid gemaakt door de mond
"(als) (de) klap op de vuurpijl"
"een grote/harde klap"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord