Betekenis van:
knopen

knopen
Werkwoord
  • met een knoop vastmaken
"een band om de arm knopen"
"iets in zijn oren knopen"

Hyperoniemen

knopen
Werkwoord
  • een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
"Hij was het net aan het knopen."
knoop (de ~ | meervoud knopen)
Zelfstandig naamwoord
  • snelheidseenheid v.d. scheepvaart
"[negen] knopen lopen"

Hyperoniemen

knoop (de ~ | meervoud knopen)
Zelfstandig naamwoord
  • plat rondje om kleding te sluiten
"er is een knoop van m'n jas"
"met bovenste knoopje los je overhemd dragen"

Hyperoniemen

knoop (de ~ | meervoud knopen)
Zelfstandig naamwoord
  • vastgetrokken lus van draad
"een platte knoop"
"in de knoop zitten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord